De eerste keer

Toen ik nog een kleine Ennie was, had mijn moeder haar handen al aan mij vol. Op feestjes trapte ik salontafels over midden, in supermarkten brak ik de stellingen af en op school knoopte ik veters van anderen aan elkaar en stak de fik erin. Jarenlang leek er geen redden aan.

Toch had ook mijn mini-versie één positief punt: al van kleins af aan sliep ik in een Feyenoord-pyjama onder mijn Feyenoord-dekbed, hingen de Feyenoord-posters aan de wand en dronk ik op de basisschool uit mijn blitse Feyenoord-mok.

Net als elke fan van de club herinner ik me de eerste keer. De eerste keer dat ik een wedstrijd van Feyenoord mocht bezoeken. Als kleine jongen aan de hand van je ouwe heer parkeren bij de Sligro, die voor je gevoel geweldig lange tocht naar het stadion, de trappen op en dan je allereerste stap in De Kuip.

Die imposante mensenmassa, het geschreeuw en uiteraard de duizend lampen. Dat beeld zal nooit meer uit je hart worden gewist. Daarom was ik de laatste maanden nogal egoïstisch ingesteld. Toen niet Nederland maar onze Russische vrienden het WK 2018 toebedeeld kregen, heb ik van binnen staan juichen.

Deze week deed ik dat opnieuw. De bouw van ‘de nieuwe Kuip’ zou een stuk duurder gaan worden dan verwacht en kwam zo op losse schroeven te staan. Ik weet dat Feyenoord een modern stadion hard nodig heeft om financieel weer gezond te worden, maar ik hoop stiekem dat de bouw nog een x-aantal jaren wordt uitgesteld.

Ooit zal ik namelijk parkeren bij de Sligro, mijn kleine kerel (uiteraard Gio genaamd) aan de hand nemen en hem dezelfde geweldige ervaringen laten opdoen. Mochten mannen een biologische klok hebben, dan is die van mij aardig aan het tikken. Mijn Gio moet en zal de huidige Kuip betreden.